Ongeloof(lijk)!

 

Hij staat voor het raam en staart naar buiten. Deze cel is beter dan de vorige waarin hij zat. Vanuit dit raam kun je over de muur kijken en zie je in de verte de stad. In de vorige cel keek hij uit op een blinde betonnen muur. Toen had hij een celgenoot. Nu, na zijn definitieve veroordeling zit hij alleen. Al wist hij het van tevoren, toch was hij geschrokken van het definitieve oordeel. De doodstraf!

En nu wacht hij op de dag dat het vonnis voltrokken zal worden. Die datum wordt niet bekendgemaakt. De dag tevoren kan hij het te horen krijgen. Als hij geluk heeft. Anders zal het plotseling zijn. Dan zal om klokslag half acht een cipier zijn deur openmaken en hem sommeren mee te komen.

 

Hij zit hier nu al meer dan een half jaar. Hij mag geen streepjes op de muur zetten om bij te houden hoelang hij hier al zit. Daarom houdt hij het bij op de laatste bladzijde van het boek dat hij kreeg en waarin hij af en toe leest. Inmiddels is hij gewend geraakt aan het idee dat elke dag de laatste kan zijn. Het doet hem niet meer zoveel. Vroeger zei zijn vader dat alles went, en dat is inderdaad zo.

Opeens hoort hij de sleutel in zijn deur. Snel kijkt hij op de klok boven de deur. Tien voor drie. Wat een vreemde tijd! De deur zwaait open en de cipier kijkt hem doordringend, maar vriendelijk aan. ‘Beste man, ik kom je vertellen dat je vrij bent.’
Verschrikt kijkt hij de cipier aan.
‘Vrij?’ stamelt hij.
‘Inderdaad! De koning heeft je gratie verleend.’
‘Dat … kan ik niet geloven.’
‘Toch is het waar. Kom, pak je spullen en volg mij.’
De man schudt zijn hoofd.
‘Ik blijf hier, want dit kan gewoon niet waar zijn.’
‘Het is echt zo. Kom nu!’
Weer schudt hij zijn hoofd.
‘Oké, ik ga nu en laat de deur open staan. Als je zover bent kom je maar. Ik zit in het kantoor van de afdeling.’
Hij staart weer door het raam. Er vliegt een vogel en aan zijn vlucht herkent hij hem: een bonte specht. Vreemd, er zijn volgens hem in deze omgeving niet veel bomen. Wat die cipier net vertelde, kan gewoon niet waar zijn. Je kunt toch niet zomaar vrijgelaten worden als de koning gratie verleend! Dat zou een mooie boel worden!

 

Al maanden staat de deur wagenwijd open, maar hij denkt er niet aan om de cel te verlaten. Zo eenvoudig zal het toch niet gaan. Nee hij moet boeten voor wat hij gedaan heeft. Of de koning moet zelf hier komen en hem hoogstpersoonlijk de cel uit slepen. Misschien zou hij het dan geloven.

 

Op een avond komt er een cipier die hem een brief overhandigt en zich daarna omdraait. Hij sluit de deur en draait deze op slot. Hij vouwt de brief open en leest: Morgenochtend om 7.30 uur zult u opgehaald worden teneinde uw vonnis te ondergaan.
Hij zakt op zijn stoel en begraaft zijn gezicht in zijn handen. Dit … kan niet. Zou dan nu toch …?
Hij staat op en loopt naar de deur. Deze is inderdaad op slot. Maanden stond hij gewoon open en nu ineens is hij dicht. Hij was gewend geraakt aan de open deur. En nu is hij dicht. Hij bonkt op de deur en roept. Er reageert niemand. Hij schopt en roept: ‘Doe die deur open!’
Hij wacht, maar er komt geen enkele reactie.

De volgende morgen om half acht knarst de sleutel in de deur.